naah.punt.nl
Laatste artikelen
VERBAND
 
Het was zondagochtend, en ik dacht: koken.
Ik denk vaker ‘koken’, maar doorgaans in verband met honger. Dat is om een uur of acht, vaak ook eerder, als ik thuiskom van de fabriek, want ik weet me nooit zo goed raad met de overgangssituatie van werk naar vrije tijd en als ik me even geen raad weet met een overgangssituatie denk ik al heel snel ‘eten’.
 
Nu schiet me te binnen dat dit misschien de reden is dat ik altijd moet eten als ik reis. De laatste keer dat ik naar Denemarken ging met de trein had ik mijn negen boterhammen met kaas al vóór Arnhem op, maar daarover later meer. Laten we het erop houden dat ik menig reisgenoot heb verrast met de hoeveelheid voedsel die ik in overgangssituaties kan verwerken.
 
Maar ik dacht dus niet ‘eten’, ik dacht ‘koken’.
Binnen een paar uur had ik tot mijn stomme verbazing een brood gebakken, een pond koekjes, boeuf bourguignon voor maandag, vitella tonato als voorgerecht voor zondag en olijventapenade. Tussendoor deed ik even boodschappen en belde ik een halfuur met de eigenaar van een goed boeuf bourguignon-recept.
 
Ik heb dit nog nooit eerder gehad. Ik heb zelfs nog nooit eerder koekjes gebakken, behalve dan toen ik klein was met mijn moeder, maar die waren een stuk minder lekker, en ik snap sinds vandaag dat dat komt omdat koekjes dun en plat moeten zijn en je niet moet verwachten dat een homp slordig in elkaar gevouwen deeg met een halfuurtje hete lucht in een koekje verandert.
 
Ik ben al met al blij dat het door de zomer ingepikte uur vannacht werd afgetrokken werd en niet overdag, want dan had ik het misschien niet allemaal voor elkaar gekregen, vandaag. Aan de andere kant: P en ik wisten zeker dat we zo’n honger hadden omdat het officieel een uur later was, maar het was eigenlijk een uur eerder. Daar zit twee uur verschil tussen, allemaal op een dag van pakweg 16 uur.
 
Het verband tussen de neiging tot koken en het verder zetten van de klok is mij tot nu toe overigens ontgaan, maar misschien kunt u mij wel uit de brand helpen.
Lees meer...
BOOS
 
Woest kijk ik de menigte aan. ‘I am sorry, but I was too slow,’ brul ik. Ik heb een galm op mijn stem gezet. ‘But I have already been blamed!’ Vragende gezichten, een enkele, aarzelende glimlach als ik me een weg baan door de drommende mensen.
 
Hamburg. Duitsers. Die de trein in willen, waar ik dromerig in de coupé sta te wachten tot ik uit moet stappen, en ruw word gewekt door een kwaaie Duitser die ‘sie mussen schneller aussteigen!’ sist. De Duitsers die juist van het perron de trein in willen, komen als een zwijgende, dikke diarree mijn kant op. Ik worstel me door de brij heen, trek mijn zware koffer boos achter me aan, het perron op, en werp de bemoeizuchtige Duitser een vuile blik toe als ik hem later weer kruis, al kan het ook een andere Duitser geweest zijn, want ze lijken allemaal op elkaar.
 
Alle Duitsers zijn boos, behalve alle aardige Duitsers die je toevallig kent. Waarom alle Duitsers boos zijn, is een onopgelost raadsel. Misschien is het om de slechte naam die ze op hebben gebouwd tijdens de Holocaust en waar nu ook de achterkleinkinderen van de boosdoeners nog mee worden lastig gevallen. Feit is dat ik me nog minder op mijn gemak voel bij de gemiddelde Duitser dan bij een agressieve, euroshopper-bierblikken tevoorschijn toverende, zware shag in de metro rokende Feijenoorder met overgewicht, om heel eerlijk te zijn
Lees meer...

Michael Jackson

 
P. was een week weg, maar nu is hij terug.

Dat levert weliswaar heerlijk, beeldvullend gezelschap op, maar ook een hoop herrie, net op het moment dat ik stilte verwacht, namelijk ’s nachts. Hij snurkt als een dolle.

Treurig van het slaapgebrek moest ik vanmorgen  tot de conclusie komen dat mijn hele leven bestaat uit één grote, zinloze strijd tegen de overlast.
 
Op de fiets rijd ik door grote zwarte wolken uitlaatgassen van vervloekte brommers en auto’s. In mijn auto is het tegenwoordig of je je mond om de uitlaat hebt heen gezet.
Op mijn kantoor staan in de bedrijfsstraat achter mij vaak vrachtwagens te lossen met draaiende motor. Als er geen vrachtwagen met draaiende motor staat te lossen, is het autobedrijf naast me een nieuwe motor aan het testdraaien of een auto aan het overspuiten. Als het autobedrijf geen stank en/of herrie produceert, zijn de architecten bezig een maquette te maken uit smeltend plastic of zagen ze met veel kabaal een bos hout in splinters. Als de architecten en de buren niet bezig zijn met stank of herrie produceren, moet er iets verspijkerd worden aan de fabriek en staat er een mij onbekende man op een mij onbekend moment aan het ijzeren geraamte van mijn kantoor te zagen. Bellen kun je op mijn kantoor sowieso wel vergeten, ook al omdat de buren aan de andere kant de hele dag keihard grappen maken en ook oorverdovend kunnen boeren.
 
Thuis is het al niet veel beter. Soms ruik ik overdag de diesel van passerende binnenvaartschepen, en soms ’s nachts in bed ook. Soms word ik in de ochtendspits wakker van de bezinedamp van het kruispunt voor de deur. Als er weinig auto’s en schepen zijn, heeft P net een sigaret gerookt en komt hij stinkend de kamer in. Als hij niet stinkt, maakt hij herrie, vooral ’s nachts als hij als een onbeweeglijke berg man  in bed ligt.
 
Als Michael Jackson toevallig meeleest: als u overweegt ook de zuurstoftank weg te doen, weet ik nog wel een geïnteresseerde. Ik hoop maar dat hij ook geluidsdicht is.
Lees meer...

 

Vertrouwen
 
Om een onnavolgbare reden krijg ik altijd hamers van mijn vader.
Goeie kwaliteitshamers, daar niet van. Altijd hetzelfde model. Stevig staal, zwart kunststof handvat, en ik geloof ook een gele. Ik heb nu vijf hamers. De laatste twee kreeg ik gisteren. Eén vertrouwde, maar kleiner. En een nog kleinere, maar wel spectaculair: een hamer met bloemen.
Soms mompelt hij iets over de gereedschapskist die ik van hem meekreeg toen ik uit huis ging, soms iets over de perfecte hamer, maar dat kan ik allemaal niet volgen. Hoeft ook niet. Gelaten sla ik de hamers op. Dat is een kwestie van diep vertrouwen. Op een dag heb ik ze nodig, en mijn vader weet waarvoor.
Lees meer...
Bang!
 
Ik vraag me wel eens af wat het criterium is voor een gebeurtenis. Moeten er getuigen zijn? Moet je wakker zijn? Onverdoofd? Nuchter? Eerlijk gezegd denk ik soms dat de dingen die gebeuren, niet echt gebeuren. Bijvoorbeeld het feit dat altijd als ik langs een bepaalde portier van het gebouw waar ik werk fiets, we altijd even naar elkaar headbangen.
 
Ik weet ook niet hoe het ontstaan is, als het al ontstaan is. Hij begon, denk ik. Het doet heel professioneel en toch nonchalant aan. Als ik langsfiets, steken we omstebeurt even de hand losjes op, en headbangen. Niet te hard, niet te zacht. Je haar blijft er redelijk onder. Daarna fiets ik ernstig door en kijkt hij weer naar zijn scherm. Net of het nooit gebeurd is.
Lees meer...
LIEFDE
 
Het duurde even voordat ik besefte hoe het kon dat mijn auto niet was gestolen en toch weg. Ik zat er zelf in. Ik was op weg naar de plek waar hij nu niet stond, de stoep voor mijn huis. Een merkwaardig geval van de bril die op je neus staat zoeken.
 
Misschien waren mijn auto en ik nog een beetje beduusd. Onze accu was een halfuur eerder nog leeg geweest. Opnieuw, dit was ons al twee keer gebeurd bij deze opdrachtgever voor de deur. Gelukkig hebben ze 437 mensen in dienst, zodat ik nog wel even door kan gaan voor het echt opvalt.
 
Dit keer kwam een vriendelijke jongen van de afdeling Transport naar buiten. Twee collega’s vergezelden hem, want het was de eerste mooie lentedag. De eerste ging voor mijn auto staan, bij het bordje met ‘bezoeker’, waar ik – inderdaad – nogal dicht tegenaan stond. ‘Boem is ho,’ zei hij zakelijk tegen zijn collega’s, die niet eens opkeken maar begrijpend knikten. Ik herinnerde me opeens geluid bij het parkeren.
 
‘Zet hem maar in de tweede versnelling, dan duwen we je naar achter.’ Ik deed het braaf en stuurde ook handig om de andere geparkeerde auto’s heen, al zei ik het zelf. De drie mannen gingen achter mijn auto staan. Om hem te duwen, concludeerde ik scherp.
Ze deden het. Ik kon opeens alleen nog maar lachen om de zwetende hoofden in de achteruitkijk. Het was eerlijk gezegd een heerlijk gezicht en het weer was ook al zo fijn.
 
Ze raakten kennelijk een beetje wrevelig van mijn slappe lach, want ze begonnen geheimtaal tegen elkaar te spreken. ‘We duwen hem dwars door de koppeling,’ riep er eentje hijgend. De motor sloeg niet aan. Ik stopte. Eén mannetje verdween. Een tweede ging zijn auto halen en parkeerde hem bijna-boem-is-ho tegen mijn auto. Kabels kwamen tevoorschijn. Ik moest starten. ‘Bwof’, zei de Alfa. ‘Bwof, dat klinkt meer alsof je startmotor kapot is.’ Daar gingen we weer. Ik begreep helemaal niet waar ik die geheimtaal nu weer aan verdiend had. Misschien had ik hun irritatie gewekt. ‘Nog eens?’ ‘Bwof,’ zeiden we. Bwof.
 
Opeens sloeg de motor aan. Ik keek blij uit het raampje. ‘Wat hebbie nou gedaan?’ vroeg de aardige jongen van Transport. ‘Gas gegeven,’ zei ik.
Ik zag zijn bewustzijn ‘bwof’ afhaken. Hij keek me glazig aan. Toen – en daar wilde ik het eigenlijk met u over hebben – veranderde zijn blik in liefde. Oprechte liefde, ik zweer het. ‘Wat ben je toch een ontzettende lieverd,’ zei hij. ‘Ik ga echt bijna van je houden.’
 
Ik wist wel beter. Deze vriendelijke jongen was plotseling echt van mij gaan houden, niks bijna. Deze jongen begreep dat hij in autokennis-opzicht zijn negatieve tegenpool had gevonden. Dit was hoe het hoorde, alles klopte, heel even was zijn wereld perfect.
Ik zwaaide en reed gauw weg voor de motor afsloeg. Ik vond het niet de gelegenheid om een affaire te beginnen, bovendien kon het toch geen stand houden want ik wist niet wat ik wel of niet moest doen om deze liefde te veroorzaken. Onderweg herinnerde ik me P, die een keer bijna omviel van pure liefde vanwege het feit dat ik in mijn stokoude auto af en toe de allerbeste dure benzine van Shell gooide, omdat ik ergens had gelezen dat dat goed voor je motor was.
 
Mensen met verstand van auto’s hebben een gemeen wapen in handen om geliefden van anderen weg te kapen. Dat u later niet zegt dat ik u niet gewaarschuwd heb.
Lees meer...
LEVEN
 
Meneer B. begon te huilen.
Ik zat tegenover zijn brede rolstoel, en hij had net verteld hoe lief zijn kinderen voor hem waren, eigenlijk. Hij had al verschillende keren gezegd dat hij een lelijke ouwe donder was, maar eigenlijk vond ik hem best mooi. Al zou het wel fijn zijn als hij wat aan zijn gebit deed.
 
Ik vond het een lieve man, meneer B. Zijn vrouw was dement. Maar sinds het thuis niet meer ging, en ze ergens anders woonde, had hij haar nog niet op durven zoeken. Hij wist niet waarom, maar hij zag er verschrikkelijk tegenop. Zijn kinderen pushten hem helemaal niet. Dat vond hij nog wel het bijzonderste. Bijna ging hij weer huilen.
 
Maar meestal keek hij wel blij, meneer B., hoewel hij eigenlijk vond dat zijn hele leven een verschrikking was. Zijn blik had iets olijks. Ik zei dat ik moest gaan. Ik wilde naar P., en ik had honger want het begon al avond te worden. ‘Iedereen heeft tegenwoordig maar haast, haast, haast, het is allemaal haast tegenwoordig,’ zei meneer B. verdrietig.
 
Vóór meneer B. had ik een dame van honderd jaar gesproken. ‘Rustig aan,’ zei de verzorgende die naast haar zat, toen ze naar de deur snelde om haar bibliotheekboeken te ruilen. ‘Rustig aan,’ dat zeggen ze elke dag tegen me,’ had ze gezegd. Haar schuifel was angstaanjagend snel. Ze had haast. Haast om te leven, in elk geval niet om tijd te verspillen met snelschuifelen.
Lees meer...
LINGERIE
 
‘Bent u van de lingerie?’ vroeg het meisje van V&D aan haar collega. ‘Nee, ik ben van de onderbroekenlol,’ antwoordde die.
Het meisje en ik liepen verder. ‘Nee, wacht, ik ben alleen lollig!’
We stopten. De onderbroekenloldame ontpopte zich in twee seconden tot een formele V&D-lingerieverkoopster. ‘Mevrouw zoekt een onderrok? Loopt u maar even mee.’ Ik zwaaide het andere meisje gedag en liep mee, het avontuur van de lingerieafdeling van de V&D in. ‘Een onderrok, dat heet eigenlijk een jupon,’ zei ze, terwijl ze voor me uit liep. Zjupon, klonk het. Ik dacht: dit is de laatste vrouw op aarde die weet dat het woord voor onderrok eigenlijk zjupon is. Ze had één zjupon, maar die was veel te lang. Ik had nog nooit het woord zjupon zelfs maar gedroomd.
 
Ik moest naar de ondergoedwinkel, dacht ze. Onderweg kwam ik langs de H&M. ‘Onderrokken, hebben jullie die?’ ‘Zjupons? Nee, moet u bij de ondergoedwinkel zijn.’ Verbijsterd liep ik naar de ondergoedwinkel. Een piepjonge allochtoon die het onbekende woord woord zjupon gebruikte, samen met een stokoude, formele V&D-verkoopster, daar zit meer achter. Een journalistiek onderzoek, misschien.
 
Ik besloot mijn onderzoek te starten bij de jonge blondine in de ondergoedzaak. ‘Een zjupon, heeft u die?’ vroeg ik, zo achteloos mogelijk. Ze keek me verbaasd aan. ‘Maar dat is echt een zomerproduct, dat hebben we nu niet.’ Zo heb ik het graag. Dat ik de betekenis van een woord wel ken, en een jonge blondine van de ondergoedzaak niet. Een zomerproduct? U moet iets anders bedoelen,’ zei ik vriendelijk en ik probeerde niet te triomfantelijk. ‘Nee echt. Onderrokken verkopen wij vooral in de zomer.’
 
Een waarschuwing lijkt me op zijn plaats. Er bestaat een parallel universum waarin mensen woorden gebruiken die ik niet ken. God mag weten wat zich daar nog meer afspeelt.
Lees meer...
DOOD
 
Ik zal er niet omheen draaien: mijn iPod is overreden.
Overreden ja. Ik liep naar de Albert Heijn. In de regen. En terug. Het regende nog steeds en op het zebrapad lag een hulpeloos roze dingetje.
 
U weet hoe ze zijn, vrouwen. Leg ergens een hulpeloos roze dingetje neer en ze rennen er krijsend op af om het te redden. Ik veegde de natte lap die op mijn hoofd lag opzij. De regen sloeg striemend in mijn gezicht. Ik boog me over het slachtoffertje.
 
De witte oordopjes hadden zich aan elkaar vastgeklampt als om met een laatste omhelzing de dood nog even uit te stellen. Er zitten magneetjes in oordopjes, voelde ik, toen ik ze, de regen liep over mijn wangen, of waren het tranen, uit elkaar trok.
 
De iPod lag in haar vrolijke roze hoesje te doen of er niks aan de hand was. Een dapper dingetje, dat had ik altijd al gevoeld. Toen ik ermee thuis kwam, vol angstige hoop, zag ik dat het een verloren zaak was. Niet alleen was ze al koud en stijf, ze had ook lelijke deuken in haar strakke witte pakje en scheuren in de zijkant. Het schermpje ademde niet meer.
 
Ik moest wel rouwen maar niet huilen. Alleen misschien een beetje toen P zijn iPod-shuffeltje begon te zoeken, om aan mij te kunnen geven.
Lees meer...
CONCERT
 
'Klik', zei het slot.
Het was niet echt een slot maar het witte ding in mijn autodeur wat om iets heen draait en dan zorgt dat de deur vergrendeld is, ik kan het ook niet beter uitleggen. H en ik zaten vers opgeleukt in de auto want we zouden naar een concert. Maar het 
witte ding zat de verkeerde kant op en ook muurvast. Er zat niks anders op dan de ANWB te bellen, mijn favoriete Nederlandse organisatie.
 
Ze kwamen verrassend snel, een en al grappen makend, met z'n tweeën. 'Klik', deed de grootste, die zo te zien vijftig was, met het witte ding. En toen: 'doei'. Ik dacht dat hij een grapje maakte. Dat kan ik ook, grapjes maken, dacht ik vervaarlijk. 'Zo, is hij de stagiaire,' vroeg ik aan de andere. 'Nee', zei hij nog net, voor ze samen weer in bulderend gelach uitbarstten. 'Nee, sorry, het is echt zo simpel.'
 
Ik had naar de verkeerde kant gedraaid. Ik begreep wel dat het witte ding een kwartslag moest draaien om weer om het andere slotdeel heen te kunnen, maar omdat de deur openstond, had ik de verkeerde kant opgedacht. De kant van de kijker. Niet die van de deur.
 
Een beetje beteuterd reden we naar het concert. Als rampspoed zo makkelijk verloopt, is er geen hol aan.
Lees meer...
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl